Het wapen van Indonesië
Indonesië telt meer dan 13.000 eilanden
Op
17 augustus 1945 werd de "Republik Indonesia" (RI) geproclameerd.)
Proclamatie van de Republiek Indonesië door Soekarno. Foto. NIMH.
Inzet van mariniers tijdens Operatie Product. Foto. NIMH.
Molukse militairen maakten zich verdienstelijk door spontaan de
verdediging van de interneringskampen op zich te nemen.
Met de boot naar het koude Holland.
Werken op
de rijstvelden. (Sawa). Sprietje voor sprietje wordt de rijst geplant.
Een
prachtig schilderij van een kampong op Java. Ca. 61% van de bevolking woont
in landelijke gebieden, doorgaans, althans wat Java betreft, in gesloten
neder- zettingen (desa, kampong) met een inwonertal dat varieert van vele
honderden tot minder dan vijftig.
Druk
verkeer in Yogyakarta
Heerlijke saté maken. Gewoon langs de kant van de weg.
's
Avonds wordt er gebeden. Indonesië is een
overtuigend islamitisch land. Ca. 90 procent van de Indonesische
bevolking is soennitisch moslim. Naast de Islam kent Indonesië ook het
christelijk geloof (10 procent) en het Hindoeïsme, dat vooral op Bali veel
aanhangers heeft.
Verschillende soorten pepers op de pasar. De voornaamste handelsgewassen
zijn rubber, palmolie, tabak, thee, kopra, koffie (op Brazilië en Colombia
na de grootste wereldproducent), peper en cacao: deze producten vormen, na
de aardolie, het belangrijkste deel van de export.
De Zuidwestereilanden liggen in het zuidwest-oosten van de provincie
Maluku, Indonesië. De zee levert in tegenstelling tot het land altijd
veel op, hoewel ook de visvangst gebonden is aan het seizoen. De mannen
zetten hun bamboe visvallen (bubu) uit in dieper water en vissen vanuit
kanos.
De
Borobudur (Javaans: Barabudhur) is een boeddhistische tempel op 40 km
ten noordwesten van Jogjakarta in de provincie Midden-Java, in het centrum
van het Indonesische eiland Java. Het is naast de Prambanan en de Kraton in
Jogjakarta één van de toeristische trekpleisters van Centraal-Java.
De kris. Een traditioneel wapen uit Indonesië.
Indonesië Het wapen
van Indonesië:
godsgeloof - menselijkheid - nationalisme - democratie - sociale
rechtvaardigheid
Het staatswapen
bestaat uit de Garuda-vogel die het wapenschild met de vijf symbolen met
zijn klauwen vasthoudt. Elke vleugel van de Garuda bestaat uit 17 veren.
Daarbij komen nog de 8 staartveren en 45 halsveren zodat de historische
datum van de uitroeping van de Indonesische republiek, 17-8-45, wordt
aangeduid.
Indonesië is een
republiek in Zuidoost-Azië,
tussen het Aziatische vasteland en Australië, omvat 13.677
(delen van) eilanden, waarvan ca.
990 bewoond, samen ca. 6/7 (de rest behoort tot de Filippijnen) van de
grootste archipel ter wereld, 1.904.569 km2, met 197,6 miljoen inw. (101
inw. per km2); hoofdstad: Jakarta.
Film uit 1946 (This
is the national anthem Indonesia Raya. This film is from 1945).
Bijna tweederde van het land is bedekt met tropisch oerwoud (60% van
Sumatra, 77% van Kalimantan en 80% van Irian Jaya). Indonesië bezit daarmee
na Brazilië het grootste regenwoud ter wereld en is met 9,7 miljoen m3 de
grootste houtexporteur van Zuidoost-Azië. De bossen worden van oudsher
hoofdzakelijk als staatsbedrijf geëxploiteerd; er zijn echter concessies
verleend aan Amerikaanse, Filippijnse en Japanse maatschappijen. De laatste
zijn m.n. werkzaam in Oost-Kalimantan, waar, evenals elders in de archipel,
op grote schaal ontbossing en bodemerosie voorkomen als gevolg van
onverantwoordelijk kappen. Sinds 1985 is de export van ruw hout verboden en
vervangen door uitvoer van houtproducten (o.a. meubels). Ook wil de regering
de schade aan het tropisch regenwoud herstellen door middel van
herbebossingplannen. De bossen leveren behalve hout ook harsen en gommen,
terpentijn, rotan en kajapoetih-olie. Het uit de sagopalm gewonnen merg is
het volksvoedsel op Irian Jaya. In 1997 braken als gevolg van droogte en
onverantwoorde houtkap, vooral in Sumatra, Kalimantan en Irian Jaya,
hardnekkige bosbranden uit, die ca. 1,7 miljoen ha in de as legde. De
droogte leidde ook tot ernstige voedselschaarste, waardoor voor ca. 7,5
miljoen Indonesiërs een voedseltekort dreigde.
Visserij is voor de voedselvoorziening
(eiwitten) zeer belangrijk. Met name langs de kusten van Sulawesi en
Kalimantan, in de Riau-archipel en in Maluku leven sommige bevolkingsgroepen
vrijwel uitsluitend van de visvangst. In sommige streken van Java wordt vis
uitgezet in de natte rijstvelden; voorts zijn er, vooral langs de noordkust
van Java, aparte visvijvers; meer dan de helft van de gevangen vis wordt
door deze kunstmatige visvijvers geleverd. De zeevisserij is door
modernisering van de vissersvloot en verbeterde vangsttechnieken in de loop
van de jaren tachtig sterk vooruitgegaan (o.a. garnaalexport).
De mythische vogel Garuda (het rijdier van Wisnu) met het wapen voor zijn
borst.
De vijf symbolen in het wapen van Indonesië
verbeelden de officiële staatsfilosofie Pancasila. Pancasila betekent
letterlijk de vijf pilaren, c.q. de vijf grondbeginselen waarop de in 1957
door Sukarno afgekondigde staatsideologie berust:
Het wapenmotto dat onder het schild staat luidt;
Bhinekka Tunggal Ika = Eenheid in verscheidenheid.
1. De Ster: Geloof
in één God. Op basis van dit principe worden de monotheïstisch
wereldgodsdiensten ook het Hindoeïsme en het Boeddhisme erkend, zij het met
enige aanpassingen om aan de eis van " het geloof aan één God" te voldoen.
2. De Gesloten ketting: Rechtvaardigheid,
Beschaving en Menselijkheid. Met dit principe wordt het streven naar
tolerantie, samenhorigheid en de gelijkheid tussen het Indonesische volk en
de andere volkeren en staten in de wereld tot uitdrukking gebracht.
3. De Waringinboom: Eenheidstaat
Indonesië. Dit principe verwacht van alle burgers dat ze zich, op grond van
huidskleur of ras, niet superieur voelen aan andere etnische groepen.
Bovendien zijn regionale en etnische belangen ondergeschikt aan
staatsbelangen. Het principe gaat uit van liefde en nationalistische
gevoelens voor het land.
4. De Banteng:
Democratie geleid door wijsheid, overleg en vertegenwoordigers. Dit principe
staat voor de vertegenwoordiging van het volk in het hoogste staatsorgaan.
5. Rijsthalm en Katoentak: Sociale
rechtvaardigheid. Deze symbolen verwijzen naar de voeding en kleding van
welvaart. Daarom moeten de natuurlijke rijkdommen van het land tot algemeen
nut worden aangewend.
De naam Indonesië (Indonesia), is het eerst gebruikt door de Britse etnoloog
G.R. Logan in 1850, en is afgeleid van Lat. India en Grieks nèsos (=
eiland). Het betekent Indische archipel. Munteenheid is de rupiah (Rp),
onderverdeeld in 100 sen. Nationale feestdag is 17 augustus,
Onafhankelijkheidsdag.
De Indonesische eilanden omvatten het grootste deel van de archipel tussen
het zuidoosten van het vasteland van Azië en het werelddeel Australië. Er
zijn meer dan 13.000 eilanden en eilandjes. De vijf grootste eilanden zijn:
Nieuw-Guinea (voor iets meer dan de helft Indonesisch grondgebied: Irian
Jaya), Borneo (voor ongeveer twee derde Indonesisch grondgebied:
Kalimantan), Sumatera, Sulawesi (Celebes) en Djawa (Java).
Tezamen beslaan zij meer dan 90% van het totale grondgebied van de
republiek. Het grootste deel van het overige gebied valt binnen twee
eilandengroepen: Nusa Tenggara (Kleine Sunda-eilanden) en Maluku (Molukken).
De afzonderlijke eilanden vertonen grote verschillen, niet alleen in
grootte, maar ook in hoogte, hoewel zij met uitzondering van de kleinste
alle bergachtig zijn en in vele gebieden vulkanische activiteit heerst. De
grote vruchtbaarheid van Indonesië hangt voor een belangrijk deel samen met
de bodemgesteldheid. Vooral bodems van vulkanische herkomst kunnen zeer
vruchtbaar zijn: jonge ferrallitische gronden van bijv. Sumatera en Java en
andosolen van de toppen en hoger gelegen hellingen van vulkanen.
Indonesië is gelegen in de Austraalaziatische Middelzee tussen de Indische
en de Grote Oceaan. Deze zee bestaat uit een aantal kleinere zeeën (o.a.
Javazee, Zuid-Chinese Zee, Arafurazee). Door de interferentie van de
getijbeweging in de Grote en de Indische Oceaan hebben de getijden in deze
zee een zeer gecompliceerd verloop: de Javazee bijv. heeft maar eenmaal per
24 uur hoog- en laagwater. De grote rivieren van Sumatera en Borneo zijn
vrij goed bevaarbaar; Java kent slechts één bevaarbare rivier: de Solo. De
eilanden tussen het Sundaplat en het Sahulplat hebben korte, snelstromende
rivieren.
Bevolking: Samenstelling en spreiding
De overgrote meerderheid van de bevolking behoort tot het Maleise ras. Er
zijn duidelijke, vnl. culturele verschillen tussen enerzijds bijv. Batak,
Dajaks en Toradja's en anderzijds Javanen (de grootste groep; zie Java
[aardrijkskunde]), Sundanezen, Madurezen, Maleiers in engere zin,
Minangkabauers, Atjehers, Buginezen en Baliërs. In Irian Jaya en omliggende
eilanden wonen de tot de Melanesische groep behorende Papoea's. Volken die
kenmerken vertonen van zowel de Maleiers als de Melanesiërs vindt men op
Maluku en op Nusa Tenggara, m.n. op Timor. Er zijn enkele kleine, geïsoleerd
levende, tot het Europese hoofdras behorende groepen, zoals de Koeboes op
Sumatera en de Mentawaiers. De grootste minderheidsgroep vormen de vier
miljoen Chinezen, van wie (nog steeds) één miljoen staatsburger is van de
Chinese Volksrepubliek.
De bevolking is zeer ongelijk over de archipel verspreid:
ca. 67% woont op Java, Madura en Bali (samen slechts 7% van de totale
oppervlakte). In Jakarta, waar 8,2 miljoen mensen wonen, is de
bevolkingsdichtheid 15!592 inw. per km2. Andere grote steden zijn: Surabaya
(2, 5 miljoen), Bandung (2, 1 miljoen), Medan (1, 7 miljoen), Semarang (1, 3
miljoen), Palembang (1, 1 miljoen), Makasar (945!000) en Yogyakarta
(412!000). Pogingen tot interne emigratie ( ‘transmigratie’) om de druk van
de overbevolking op Java te verlichten, hebben geen succes gehad. Zeer dun
bevolkt zijn Irian Jaya en Kalimantan. De bevolkingsgroei wordt geschat op
1,6% per jaar. Er bestaat sinds 1968 een Nationaal Instituut voor Family
Planning, dat ten doel heeft het jaarlijkse geboorteoverschot terug te
dringen. De bevolking nam sedert de jaren tachtig minder sterk toe en het
geboortecijfer daalde van 41,5‰ in 1970 tot ca. 25‰ in 1995; het
sterftecijfer daalde in dezelfde periode van 17,5‰ tot 9‰. Bijna 36% van de
bevolking is jonger dan 15 jaar; de gemiddelde levensverwachting bedraagt 66
jaar. Ca. 61% van de bevolking woont in landelijke gebieden, doorgaans,
althans wat Java betreft, in gesloten nederzettingen (desa, kampong) met een
inwonertal dat varieert van vele honderden tot minder dan vijftig. De
Chinese minderheid woont vnl. in de stedelijke centra.
De officiële taal; is Bahasa
Indonesia, handels-talen zijn Engels en in afnemende mate Nederlands. Voorts
worden er tal van Indonesische talen gesproken en op Irian Jaya, vooral in
het binnenland en op de nabij gelegen eilanden, een aantal niet tot deze
familie behorende talen.
Indonesië verklaart zich onafhankelijk: 1945
In de loop van 1944 werd duidelijk dat Japan de oorlog zou verliezen. De
Indonesische nationalisten wilden Indonesië onafhankelijk verklaren voor
Nederland de kans zou krijgen het koloniale systeem te herstellen.
Toen het Japanse keizerrijk na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki
onverwacht snel capituleerde, riepen de nationalistische voorlieden Soekarno
en Hatta - onder druk van hun jonge aanhang - vrijwel direct de
onafhankelijkheid uit. Op 17 augustus 1945 werd de Republik
Indonesia (RI) geproclameerd.
Het was een eigenaardige bevrijding in Indonesië, omdat onmiddellijk weer
een nieuwe oorlog begon: de strijd tussen Nederland en de RI. Het was een
chaotische tijd, want er was nauwelijks meer sprake van een centraal gezag.
Allerlei gewapende groepen trokken door het land. Nederlanders, Molukkers en
Chinezen moesten het vaak ontgelden. Mensen die nog in de Japanse
interneringskampen zaten, moesten worden beschermd tegen jongeren (pemuda's)
die in naam van de RI de kampen aanvielen. Molukse militairen maakten zich
verdienstelijk door spontaan de verdediging van die kampen op zich te nemen.
Molukkers waren overigens aan beide zijden actief. Maar in de ogen van het
grote publiek (in Nederland en in Indonesië) werden zij vooral gezien als
loyaal aan Nederland.
Staatsinrichting
De grondwet van 1945, werd in 1949 vervangen door een federale grondwet, die
in 1950 op haar beurt plaatsmaakte voor een voorlopige unitaire constitutie,
werd in 1959 wederom van kracht. Basis van deze grondwet is de officiële
staatsfilosofie Pantjasila, die vijf grondbeginselen van de Indonesische
eenheidsstaat omvat: godsgeloof, nationalisme, menselijkheid, sociale
rechtvaardigheid en volkssoevereiniteit (musyawarah, traditionele democratie
gebaseerd op wijsheid en concensus). De uitvoerende macht berust bij de
president (voor vijf jaar gekozen en herkiesbaar) en bij de ministers, die
door de president benoemd worden en die aan hem verantwoordelijk zijn. De
president beschikt over het vetorecht inzake wetsvoorstellen en heeft verder
grote volmachten, m.n. wanneer hij de noodtoestand in het hele land
uitroept. De wetgevende macht berust bij het parlement (Dewan Perwakilan
Rakyat) met 500 leden, van wie 400 direct door het volk worden gekozen en
100 (75 militairen) door de president worden benoemd. Het hoogste orgaan is
het gekozen Raadgevend Volkscongres (Malejis Permusyawaratan Rakyat), dat
bestaat uit duizend leden en samengesteld is uit de leden van het parlement
en uit vertegen-woordigers van regionale en beroepsgroepen; het komt ten
minste eens in de vijf jaar bijeen, stelt de politieke richtlijnen vast en
kiest de president. Alle beslissingen worden unaniem genomen in
overeenstemming met het musyawarah-principe.
Landbouw; veeteelt; bosbouw; visserij
Ruim 50% van de beroepsbevolking is in de landbouw werkzaam. Van de naar
schatting ruim 180.000 km2 cultuurgrond is ca. drie kwart voor
voedingsgewassen en de rest voor handelsgewassen in gebruik. De
belangrijkste voedingsgewassen zijn rijst, maïs, cassave en bataten, voorts
grondnoten, sojabonen, kopra en suiker. De rijstcultuur is de oudste en
overheersende cultuur, voor het belangrijkste deel op sawa's, maar ook wel
(buiten Java) op droge, jaarlijks wisselende velden (ladangbouw). Na de
rijstoogst worden zonder bevloeiing vaak tweede gewassen verbouwd. Aangezien
de rijstbouw van eminent belang is voor de voedselvoorziening en het voor de
overheidsfinanciën van even groot belang is onafhankelijk te worden van
rijstimport, zijn pogingen ondernomen de voedselproductie te verhogen, die
echter aanvankelijk niet tot de verwachte resultaten leidden. Een sterke
toename van productieve gebieden en gemiddelde opbrengsten leidde ten slotte
tot het gestelde doel van autarkie in 1984–1985, mede dankzij grote
overheidssubsidies voor zowel producent als consument om de prijzen niet tot
wereldmarktniveau te hoeven verlagen. Als gevolg van subsidietekorten door
de val van de olieprijzen in 1985–1986 en van misoogsten moest Indonesië tot
in de jaren tachtig rijst importeren. Inmiddels is het land overwegend
zelfvoorzienend.
De voornaamste handelsgewassen zijn
rubber, palmolie, tabak, thee, kopra, koffie (op Brazilië en Colombia na de
grootste wereldproducent), peper en cacao: deze producten vormen, na de
aardolie, het belangrijkste deel van de export. De verbouw vindt
hoofdzakelijk plaats op Sumatera en Java, hetzij op grote
cultuurondernemingen, hetzij, zoals bij de rubberproductie, door kleine
boeren. Indonesië is na Maleisië de grootste wereldroducent van rubber.
Tuinbouw wordt
voor het grootste deel bedreven op erfcultures, dwz. op erven rond de
huizen: de producten (talrijke groente- en fruitsoorten, maar ook kruiden en
specerijen), worden ter plaatse geconsumeerd; slechts een klein deel gaat
naar de markt. Speciale tuinbouwbedrijven, voor koolsoorten, bonen en prei
in de bergstreken en voor bladgroenten in de lager gelegen gebieden, leveren
uitsluitend voor de markt.
Veehouderij dient
vooral voor het houden van trekdieren (rund, buffel, paard); voor consumptie
zijn bestemd geiten, schapen, varkens en kippen. Sinds 1988 probeert
Indonesië door middel van het importeren van fokvee in te springen op een
deel van de vrijgekomen exportmogelijkheden van vlees, als gevolg van het
verbod op veeteelt in Singapore.
Mijnbouw: Met uitzondering van aardolie, aardgas en tin (Indonesië is
na Maleisië de grootste tinproducent ter wereld), worden de rijkdommen aan
mineralen weinig benut. Aardolie wordt aangetroffen op Oost- en
Zuid-Sumatera, in Oost-Kalimantan en op Oost-Java, maar ook wel off-shore.
De exploitatie is deels in handen van particuliere bedrijven, deels in
handen van het staatsbedrijf Pertamina.
Indonesië is de grootste aardolieproducent van Zuidoost-Azië. Aardgas
wordt hoofdzakelijk aangetroffen bij de Natuna-eilanden in de Zuid-Chinese
Zee en bij Zuid-Sumatera en Oost-Kalimantan. Met de constructie van twee
installaties voor de productie van vloeibaar aardgas (LNG) bij Arun
(Sumatera) en Bontang (Kalimantan) is Indonesië hiervan met 24 miljoen ton
per jaar de grootste producent en exporteur ter wereld geworden. Tot de
overige bodemschatten behoren vooral tin (op Bangka, Billiton en Singkep in
de Riau-Archipel), bauxiet (Bintan), nikkel (Zuid-Sulawesi), steenkool
(Zuid- en Midden-Sumatera) en ijzererts (Irian Jaya). Voorts worden goud,
zilver en koper gewonnen. Ook hier is veel buitenlands kapitaal
geïnvesteerd.
Energievoorziening: Meer dan 50% van de totale energievoorziening is
afkomstig van met aardolie of gas gestookte centrales. Hiernaast zijn
waterkracht (Jatiluhurdam op West-Java), geothermische energie (Diengplateau
op Midden-Java) en vooral steenkool belangrijke energiebronnen. Al jaren is
er sprake van plannen voor de bouw van een kerncentrale op Midden-Java.